Karakterisering van de Germaanse taalfamilie
De voorgeschiedenis van de Germaanse taalfamilie en dus ook van het Nederlands is het onderwerp van de historisch-vergelijkende taalwetenschap. Het doel van deze tak van de taalkunde is het aantonen van taalverwantschap en de reconstructie van prototalen. De methode die daarvoor wordt toegepast is het onderzoeken van regelmatige klankcorrespondenties bij woorden uit de centrale woordenschat.
Een voorbeeld van dergelijke klankcorrespondenties levert het volgende overzichtje:
|
Nl. Dt. Eng. Fri. Zw. De. No. Ijsl. |
vader Vater father fader fader far fair |
vier vier four fjouwer fyra fire fire fjórir |
vol voll full fol full fuld full fullur |
huis Haus house hûs hus hus hus hús |
bruin braun brown brún brun brun brun brúnn |
uit aus out út ut ud ut út |
muis Maus mouse mûs mus mus mus mús |
Het is overduidelijk dat de genoemde woorden in de verschillende talen overeenkomsten vertonen. Verschillen tussen de talen zijn vaak niet zomaar incidentele verschillen, maar systematisch. Zo correspondeert de Nederlandse klank [oey] - geschreven <ui> - in de genoemde voorbeelden systematisch met een [au] in het Duits. De historisch-vergelijkende taalwetenschap is erin geslaagd een aantal van dat soort regelmatige klankcorrespondenties te vinden die konden worden beschreven als 'klankwetten'.
Op basis van zulke overeenkomsten en systematische correspondenties kan men concluderen dat bepaalde talen met elkaar verwant zijn en teruggaan op een gemeenschappelijke brontaal. De historisch-vergelijkende taalwetenschap is er zelfs in geslaagd om op deze manier voor sommige Europese en Indische talen een gemeenschappelijke prototaal (een 'voorouder'), het Indo-Europees (=Indogermaans), te reconstrueren. Men moet echter goed beseffen dat er niets is overgeleverd van dergelijke proto- of oertalen, ze zijn zuiver hypothetisch.
Beroemde grondleggers van de historisch-vergelijkende taalwetenschap waren Rasmus Kristian Rask (1787-1832), Jacob Grimm (1785-1863) en Franz Bopp (1791-1867). August Schleicher (1821-1868) ontwikkelde het 'stamboommodel', dat later concurrentie kreeg door het door Johannes Schmidt in 1872 ontwikkelde 'golfmodel' ('Wellentheorie'). Het stamboommodel maakt het mogelijk om op een inzichtelijke manier de verwantschapsverhoudingen tussen talen duidelijk te maken. De stamboom voor de Germaanse talen ziet er als volgt uit:
(vgl. hiervoor ook Van Bree, 1996)
Het Germaans vormt één tak in de geschiedenis van de zogenaamde Indo-Europese taalfamilie. Het volgende overzicht laat ook de andere takken zien.
(vgl. hiervoor ook Van Bree, 1996)
De eerste of Germaanse klankverschuiving
Het Germaans verschilt op een aantal punten systematisch van de andere Indo-Europese talen. Het belangrijkste verschil betreft systematische klankveranderingen die worden samengevat onder de noemer 'Germaanse klankverschuiving'. Deze ontwikkeling was een eeuwenlang proces dat waarschijnlijk rond de tweede eeuw v.Chr. was afgesloten.
Overzicht Germaanse klankverschuiving
| Indo-Europees | Germaans | ||||||
| labialen | dentalen | velairen | labialen | dentalen | velairen | ||
| stemloze occlusieven | p | t | k | stemloze fricatieven | f | Þ | X |
| stemhebbende occlusieven | b | d | g | stemloze occlusieven | p | t | k |
| stemhebbende geaspireerde occlusieven | bh | dh | gh | stemhebbende fricatieven |
|
|
|
In 1875 slaagde de Deen Karl Verner erin een uitzondering op deze wetmatigheden te formuleren in een regel, die later 'de wet van Verner' werd genoemd.Hij constateerde dat de stemloze fricatieven die door de Germaanse klankverschuiving waren ontstaan onder bepaalde accentverhoudingen (namelijk als het hoofdaccent niet op de onmiddellijk voorafgaande syllabe viel) stemhebbend worden, d.w.z.
f >
, Þ >
en X>
![]()
Dit betreft ook de reeds bestaande stemloze fricatief [s] die eveneens stemhebbend - [z] - wordt.
Later veranderden trouwens ook de accentverhoudingen: het vrije accent uit het Indo-Europees werd vast; in het Germaans komt het hoofdaccent in alle gevallen op de eerste syllabe van het woord te liggen.
De tweede of Hoogduitse klankverschuiving
Later in de ontwikkeling van het West-Germaans (5e tot 8e eeuw) vond er een tweede klankverschuiving plaats, die niet zozeer van belang is voor de ontwikkeling van het Nederlands, maar die wel veel van de verschillen tussen het Nederlands en het Duits kan verklaren.
De klankverschuiving begon in het zuiden van het Duitse taalgebied en heeft zich naar het noorden uitgebreid tot aan de zgn. 'Benrather Linie'.
De (in dit verband) belangrijkste verandering betreft de Germaanse stemloze occlusieven. Deze veranderen als volgt:
- in de 'Anlaut'; in de 'geminatie' (dubbelklank); na consonant:
| Oudhoogduits | Duits | Nederlands | ||
| p > pf |
Got. pund Osa. appel |
pfunt apfuli |
Pfund Apfel |
pond appel |
| t > (t)s |
Got. tiuhan Osa. settian |
ziohan setzen |
ziehen setzen |
trekken zetten |
| k > k |
Osa. wekkian Osa. makon |
wecchan mahhon |
wecken machen |
(wakker maken) maken |
- na vocaal:
| Oudhoogduits | Duits | Nederlands | ||
| p > ff/f |
Osa. opan Osa. slâpan |
offan slâf(f)an |
offen schlafen |
open slapen |
| t > ss |
Osa. fôt Osa. water |
fuoz wazzar |
Fuß Wasser |
voet water |
| k > X |
Osa. ik Osa. bok |
ih buoh |
ich Buch |
ik boek |
(vgl. hierbij de kaart met de voorbeelden)
Het West-Germaanse taalgebied werd door de Hoogduitse klankverschuiving in twee delen verdeeld: het zuidelijke, Hoogduitse deel en het noordelijke, Nederduitse en Nederlandse dat deze klankverschuiving niet heeft meegemaakt.
Gebied van de Continentaalgermaanse dialecten
Een tweede tegenstelling binnen het West-Germaanse taalgebied betreft de zgn. 'kustverschijnselen'. Er zijn systematische verschillen aan te wijzen tussen het Oudengels, het Oudfries en het Oudsaksisch aan de ene kant en het Oudhoogduits aan de andere. Men gebruikt voor deze kustverschijnselen ook wel de term Ingweoons ('Nordseegermanisch').
Opmerking: Deze term is zeer omstreden. Hij suggereert een verband met de driedeling van de West-Germanen door de klassieke geschiedschrijvers uit de eerste eeuw na Christus (Plinius, Tacitus). Deze verdelen de West-Germanen in drie groepen: Hermionen, Istvaeonen en Ingvaeonen. Dit laatste zijn de stammen die langs de kust wonen, van Gallië tot Denemarken.
Voorbeelden van ingweonismen die in het Nederlands kunnen worden teruggevonden:
- 'Ersatzdehnung': verlies van nasaal en rekking van vocaal voor fricatieven
Ndl. vijf, Eng. five, Fri. fiif Duits fünf- Ontbreken van -t in de 3. pers. ev. van zijn, namelijk is (vgl. Duits ist)
- Ndl. eiland, Fri. eilân, Eng. island Duits: Insel (lexicaal verschil)
- het persoonlijk voornaamwoord, 3de pers. heeft een andere wortel
Ndl. hij, Eng. he Duits er- Verdwijnen van het verschil tussen datief en accusatief enkelvoud van het persoonlijk voornaamwoord: Ndl. mij, Eng. me, maar Duits: mir / mich
Binnen het West-Germaans krijgt het Nederlands o.a. door de genoemde ontwikkelingen en kenmerken een eigen plaats. Het Nederlands heeft een eigen weg ingeslagen, waardoor het zich is gaan onderscheiden van de andere West-Germaanse talen. De oudste fase van de geschiedenis van het Nederlands in engere zin vormt het Oudnederlands.
[ Naar het begin van deze pagina ]