Klompen
Klompen kan men ook in enkele andere Europese streken aantreffen, maar in de eerste plaats worden ze gezien als een typisch Nederlands schoeisel. Ze dienden oorspronkelijk ter bescherming en versteviging van de voeten. Daarbij werden ze gedragen door de arme bevolking, vooral door mensen die zwaar, ruw, nat en smerig werk te verrichten hadden: bij normale landarbeid, inpoldering en wegenbouw, door schippers, expeditie-personeel, in zuivel-fabrieken, abbatoirs, chemische fabrieken, door veehandelaars, straatvegers, in de tuin- en bosbouw, door vissers en rietsnijders, glasblazers, metselaars, veenarbeiders, smeden, in wasserijen en blekerijen, steenfabrieken enz. Ook stoepmeiden, boerinnen, straat schrobbende huisvrouwen, visvrouwen en nettenboetsters wisten de voordelen van het dragen van klompen te waarderen.
Daarnaast kon de klomp ook allerlei nevenfuncties krijgen: als hol voorwerp werd hij gebruikt voor het bewaren van allerlei kleine zaken of als bloembakje, maar er werd ook muziek mee gemaakt en gedanst. Als hard voorwerp kon de klomp bovendien ook goede diensten doen als hamer. Tenslotte is de klomp een souvenir- en reclame-object geworden.
De Nederlandse taal kent talrijke uitdrukkingen en gezegden die met klompen en het dragen ervan in verband staan, bijvoorbeeld 'iemand iets uitleggen met de klomp' (iemand iets op een niet bepaald zachtzinnige manier aan het verstand brengen), 'iets met zijn klompen aanvoelen' (iets als erg voor de hand liggend beschouwen) of 'iets tegen zijn klomp krijgen' (een blauwtje lopen).
C.K